Laatste bijeenkomst van VGME in 2009
Vastgoedsociëiteit VGME over Design Construct Maintain (DCM)
Duurzaamheid en de inrichting van de buitenruimte.
Hoe kan duurzaamheid operationeel worden bij het inrichten van de buitenruimte? Antwoord: ga te werk volgens Design-Construct-Maintain (DCM). De Stichting VastgoedManager-Experts (VGME) wijdde er een vastgoedsociëteit aan op 19 november bij VanderHelm Bedrijven in Berkel en Rodenrijs.
De inrichting van de buitenruimte doorloopt traditiegetrouw een aantal processen. De opdrachtgever formuleert zijn wensen, de ontwerper maakt een tekening, de aannemer realiseert het werk en de hovenier zorgt voor het onderhoud. Doordat de belangen zijn gescheiden is de kans groot dat een duurzame uitstraling en economische levensduur niet worden waargemaakt. “Wat zou het mooi zijn als duurzaamheid concreet wordt, als er meer aansluiting is tussen de ontwerper en de eindgebruiker. Wat zou het mooi zijn als keuzes in het ontwerpproces duidelijk worden afgestemd en als een project op de lange termijn uitstraling heeft.” Aldus Kees van der Helm, oprichter van VanderHelm Bedrijven, tijdens de VGME-bijeenkomst. Zijn concern is gespecialiseerd in grondzaken en de inrichting van de buitenruimte. Op basis van zijn ervaringen gaf Van der Helm als oplossing: Design-Construct-Maintain (DCM). “DCM legt een verbinding tussen het programma van wensen en budget enerzijds, en ontwerp, aanleg en onderhoud anderzijds. Risico’s worden beter beheersbaar gemaakt, er is een duidelijk onderscheid tussen de publieke en de private taak. Bovendien leidt deze nieuwe aanpak tot kostenbesparingen en waardevastheid.”
DCM is een andere manier van organiseren. De kennis van de aanleg en de kennis van het onderhoud geven input aan de ontwerpers, er is één aanspreekpunt, de opdrachtgever wordt volledig ontzorgd, en het budget is vooraf bekend. Innovatiekracht wordt ontleend aan de praktijk. DCM is in principe op veel gebieden toepasbaar, legde Kees van der Helm uit, “of het nu gaat om gebouwen, de buitenruimte, de bodem of om werkzaamheden aan de infrastructuur, in en naar woonwijken. Wij richten ons met name op de buitenruimte.”
Een van de voorbeelden die hij noemde is een project waarbij een boerderij plaatsmaakte voor een sportveld, dat vervolgens door het bedrijf beheerd en onderhouden werd. “De looptijd van onderhoudscontracten is vijf tot tien jaar, daarna ga je over de houdbaarheidsdatum heen”, aldus Van der Helm, die tevens opmerkte “dat er altijd een spanning is tussen duurzaamheid en de prijs: goedkoop en duurzaam gaat niet samen.” Verder is het volgens hem uiterst belangrijk om alles wat een bedrijf doet vast te leggen, al was het maar voor het geval dat een opdrachtgever niet tevreden is over het resultaat.
Ook het advies- en ingenieursbureau DHV heeft ervaringen met DCM-projecten. DHV is een internationaal bedrijf dat diensten verleent en innovatieve oplossingen bedenkt op het gebied van mobiliteit, bouw en industrie, ruimtelijke inrichting en milieu en water. De dienstverlening richt zich op de totale projectcyclus en omvat management consultancy, adviesdiensten, ontwerp en engineering, project-, contract- en assetmanagement.
Robert Best, directeur Assetmanagement, sprak op de bijeenkomst onder meer over het beheerproject Chemelot. In opdracht van DSM Limburg heeft DHV op turn-key basis het beheer en onderhoud van het buitenterrein van DSM aangenomen. “Dat is een middelgrote stad,” zei Robert Best na de opsomming van de zogenaamde ‘non-critical utilities’: “195 km riolering, waterzuiveringsinstallaties inclusief E & W installaties, 80 km wegen en 20 parkeerterreinen, 200 hectare groen op het Chemelot terrein, 500 hectare groen buiten het Chemelot terrein, drie ketenparken, één haven, 80 km rail inclusief beveiligingssysteem, 40 km kolommenbanen, en ten slotte 16 stuks bruggen en kunstwerken.”
DHV is verder verantwoordelijk voor het dagelijks onderhoud, de storingsdienst, werkvergunningen OBL, handhaving veiligheid en milieu, ‘mapping and registry’, en de exploitatie van de ketenparken. Het doel van assetmanagement is “om de assets binnen afgesproken service levels zodanig te beheren, dat de waarde en functionaliteit gewaarborgd blijft tegen zo laag mogelijke TCO (Total Costs of Ownership).”
DHV heeft te maken met diverse grotere en kleinere bedrijven. Robert Best liet zien hoe DHV de verschillende belangen vertaalt in Key Performance Indicators, en deze vervolgens naar service levels. “Maar afspraken over service levels komen veelal tot stand in een continu en gezamenlijk leer- en verbeterproces, waarbij wettelijke eisen de ondergrens vormen.” Een van de middelen die DHV inzet om discussies over kwaliteit in de hand te houden, is het fotograferen van de hele site. “Dat doen we elke twee jaar, zodat we een goed beeld houden van veranderingen op het terrein, en het is een aanzienlijke besparing.”
De succesformule van Design Construct Maintain valt wel enigszins te relativeren, bleek tijdens de afsluitende presentatie van David Louwerse, projectdirecteur van de Groenzone Pijnacker / Berkel en Rodenrijs. Deze zone van circa 580 hectare betreft een strategisch groenproject, dat al in de jaren tachtig zijn oorsprong vond in de Groen Blauwe Slinger, als verbinding van Midden-Delfland met het Groene Hart. Het masterplan omvat vier doelstellingen. Louwerse: “Het moet een recreatiegebied voor de aangrenzende woongebieden worden, een ecologische corridor met ‘stepping stones’, er moet waterberging plaatsvinden, en het ‘verrommeld’ gebied zal moeten uitgroeien tot een ouderwetse open Hollandse polder met gras, water, rietland en koeien.”
In 2007 is een convenant afgesloten en in 2010 zal het project van start gaan. Dit ondanks het feit dat nog niet alle gronden in bezit zijn, er geen inzicht is in het budget, de opbrengsten uit kavelverkoop tegenvallen, en er nog steeds geen definitief inrichtingsplan is.
Een belangrijke complicerende factor bij dit project is dat er niet sprake is van één opdrachtgever, maar dat er uiteenlopende partijen bij betrokken zijn: de provincie Zuid-Holland, de Dienst Landelijk Gebied, het Hoog Heemraadschap van Delfland, het Stadsgewest Haaglanden, de Stadsregio Rotterdam, en de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp.
“Afgezet op de lat van DCM moet je constateren dat een integrale benadering bij een project als dit niet realiseerbaar is”, aldus David Louwerse. “Het Design wordt bemoeilijkt door wisselende inzichten, beleidsveranderingen en inspraak, Construct en Maintain is hooguit van toepassing op enkele civiele kunstwerken, maar op het uiteindelijke beheer is geen invloed meer uit te oefenen: dat ligt al bij Staatsbosbeheer die zo haar eigen ideeën en inbreng heeft.”
Misschien is DCM dus wel gebonden aan schaalgrootte en niet hanteerbaar bij projecten die te lang duren en teveel kosten, was de conclusie bij deze laatste presentatie.
De Stichting VastgoedManager-Experts (VGME) is een platform voor professionals die werkzaam zijn in het ontwikkelen, beheren en managen van vastgoed. Regelmatig vinden er sociëteiten plaats voor leden en introducés. Ideeën voor presentaties zijn welkom, via: vastgoedsocieteit@vgme.nl. De stichting stelt inmiddels ruim vijfhonderd leden en staat open voor nieuwe aanmeldingen. Dat kan via www.vgme.nl.
============= einde persbericht=================
Derde bijeenkomst van VGME in 2009
Netwerkbijeenkomst met vastgoed- en facilitymanagers:
Publiek-Private Samenwerking moet nog inhaalslag maken
Bij veel bouwprojecten van de overheid kan een Publiek-Private Samenwerking (PPS) onmiskenbare voordelen bieden. In de praktijk wordt er echter nog betrekkelijk weinig gebruik van gemaakt, ook omdat het een totaal andere benadering behelst. PPS heeft in Nederland een inhaalslag te maken. Dat kwam onder meer naar voren tijdens een bijeenkomst van vastgoed- en facility managers op 16 september bij de Facilicom Services Group in Schiedam.
De overheid is de laatste jaren als aanbesteder op zoek naar alternatieven, die technische, milieutechnische of andere meerwaarde en efficiencywinst opleveren. De Publiek-Private Samenwerking, waarbij overheid en bedrijfsleven gezamenlijk een investeringsproject realiseren, is zo’n alternatief. Wezenskenmerk van PPS is dat de overheid niet de vraag specificeert, zoals in een bestek met tekeningen, maar alleen het gewenste eindresultaat, de ‘output’. De betrokken marktpartijen krijgen daarmee alle vrijheid om naar eigen inzicht de uitvoering, de ‘input’, vorm te geven.
Vaak wordt er gewerkt met een DBFMO-contract (Design Build Finance Maintain and Operate). De marktpartij of een consortium van marktpartijen is dan niet alleen verantwoordelijk voor de financiering, het ontwerp en de bouw van een object, maar ook voor het onderhoud van het gebouw en het leveren (van een gedeelte) van de facilitaire diensten gedurende een bepaalde looptijd.
‘PPS en DBFMO; kansen voor vastgoedmanagement en facility management’, luidde de titel van de bijeenkomst in Schiedam.
Dat er duidelijke kansen liggen bleek al meteen tijdens het eerste betoog. ‘PPS is niet alleen een slimmere manier om met (overheids)financieringen om te gaan, het levert bovendien voor hetzelfde geld een betere kwaliteit op, of een zelfde kwaliteit voor minder geld’, vertelde Freya van der Kroef, directeur-partner bij het bedrijf Tenman, in een kleine stoomcursus. Ze legde dat vervolgens uit aan de hand van enkele kenmerken van een DBFM(O)-contract.
De geïntegreerde projectaanpak, vanaf het ontwerp tot en met de exploitatie, zorgt bijvoorbeeld voor ‘een prikkel bij de opdrachtnemer om ontwerpkosten, bouwkosten en onderhoudskosten optimaal op elkaar af te stemmen.’ Het outputkarakter werkt eveneens positief. ‘De outputspecificatie beschrijft welke prestatie de opdrachtgever geleverd wil zien, en zo min mogelijk de technische oplossingen. De aanbieder krijgt zo de maximale ruimte om een ontwerp te maken dat op een zo efficiënt en effectief mogelijke wijze voldoet aan de eisen.’ Ten slotte werkt het betalingsmechanisme dusdanig dat de opdrachtnemer wordt afgerekend op expertise en prestatie. Wie het goed doet, wordt beloond.
Harold Hinfelaar, manager bij Facilicom Facility Solutions, ging nader in op een actuele praktijksituatie. Zijn bedrijf bouwt momenteel als ‘single party’ in een PPS-constructie het nieuwe belastingkantoor in Doetinchem. Het ontwerp was gericht op de exploitatie. Hinfelaar: ‘Zo hebben we aan tafel gezeten met onder meer de schoonmaakdienst. Je probeert immers zoveel mogelijk terug te verdienen, en dat is een rekensom.’ Het moest een geïntegreerd ontwerp zijn, onderhoudsarm, met kwalitatief hoogwaardige details en detaillering, energiezuinig, en er moest sprake zijn van een uitwisselbaarheid van onderdelen. ‘Als je kijkt vanuit de exploitatie dan wil je een mooi pand dat makkelijk te onderhouden is en efficiënt te beveiligen. We geven liever iets meer uit aan het ontwerp en de bouw, en minder aan het schoonmaken, als je dit gedurende de looptijd van de overeenkomst (15 jaar) terugverdient. Zorg er bijvoorbeeld voor dat je niet elke vier jaar de kozijnen hoeft te schilderen, en creëer basale slimme dingen, bijvoorbeeld schuine aflopende wanden. Over 15 à 20 jaar lopen de kosten van onderhoud immers in de papieren. Verder wilden we een multifunctioneel restaurant dat ook voor andere doeleinden gebruikt kan worden.’ Dit principe van integratie van huisvesting en diensten is ook consequent toegepast in het Schiedamse hoofdkantoor van Facilicom zelf. De bezoekers van de bijeenkomst kregen daarvan een indruk tijdens een rondleiding door het gebouw.
Een ander schoolvoorbeeld voor PPS is het gerenoveerde gebouw van het ministerie van Financiën, dat vorig jaar gereedkwam. De derde spreker, Jos Barnhoorn, in dienst als Exploitatiemanager bij BAM Techniek, nam dit project als uitgangspunt voor zijn presentatie. ‘Al tijdens de realisatiefase moeten voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de exploitatiefase worden gedaan’, legde hij uit. ‘De exploitatiefase zelf is vooral zo belangrijk, omdat dit de fase is van de beoordeling door de klant. Bovendien gaat het consortium dan pas voor het eerst geld verdienen, in de vorm van een beschikbaarheidsvergoeding. Maar wanneer de diensten en ruimtes onvoldoende beschikbaar zijn, kan de opdrachtgever daarop een korting (malus) geven. Dus zal het consortium er alles aan doen om daaraan zoveel mogelijk te ontkomen.’
Een goede informatiehuishouding is bij PPS onmisbaar. De ruggengraat daarvan wordt gevormd door het (Facilitair) Management Informatiesysteem (F)MIS. Dat zorgt er onder meer voor dat meldingen over klachten, wensen, informatieverzoeken en storingen (Kwis-meldingen) bij de frontoffice van het consortium en vervolgens bij de backoffices terecht kunnen komen. Vervolgens kunnen er passende maatregelen worden genomen.
Het welslagen van PPS staat of valt met een goede samenwerking tussen de verschillende partijen. Die wordt vaak bemoeilijkt door de cultuurverschillen tussen de partijen die een relatie met elkaar aangaan. Natalie Hofman, werkzaam bij Strukton Worksphere, ging er nader op in. In het kader van de studie Master of Facility Management aan de Rijksuniversiteit Groningen verrichtte ze het masteronderzoek ‘Een contractuele relatie bij outsourcing van Facility Management’.
Cultuurverschillen tussen bijvoorbeeld bouwers en facility managers hoeven een succesvolle samenwerking niet in de weg te staan, betoogde Hofman, als iedereen zich maar bewust is van de verschillen. ‘Samenwerking bij bouwprojecten is een leertraject. Commitment is noodzakelijk. Er moet vertrouwen zijn in elkaar, in alle geledingen, van boven tot beneden in de keten. De rol van de bouwer is essentieel voor het slagen van het project. Partijen moeten voortdurend werken aan de onderlinge relatie en beseffen dat PPS meer is dan een juridische constructie. Verder moet het totale belang voor het eigen belang gaan, in elke fase, op elk moment.’
Tijdens de discussie werd onder meer geconcludeerd dat de ervaringen met PPS in Nederland zich nu met name voordoen bij projecten van de centrale overheid (vooral projecten van RWS en de Rijksgebouwendienst). Bij decentrale overheden is er nog minder ervaring mee opgedaan. Men moet er nog aan wennen. Maar wie de contracten van de eerste projecten vergelijkt met nu, ziet dat er duidelijk vooruitgang wordt geboekt. Met name de zorg, scholen, sportcomplexen of multifunctionele accommodaties vormen een potentieel grote markt voor PPS-projecten. In Engeland zijn er al veel meer ervaringen met PPS, en daar heeft het leertraject zeker tien jaar geduurd. En ‘hoewel het door de kredietcrisis lastiger is om private financiering aan te trekken, is er juist nu meer noodzaak tot efficiënt omgaan met middelen en om optimaal samen te werken’, merkte Freya van der Kroef op.
De bijeenkomst in Schiedam werd georganiseerd door de kennis- en netwerkorganisaties F-MEX, de NeVaP en de VGME. Dagvoorzitter was Maarten Vermeulen, Director European Asset Management bij Protego Real Estate Investors in Londen en medeoprichter en erelid van NeVaP. Meer informatie over de drie organisaties is te vinden op www.f-mex.com, www.nevap.nl, en www.vgme.nl.
============= einde persbericht=================
Tweede Vastgoedsociëteit VGME in 2009:
Durf en creativiteit achter succes Maassilo
Het leek een onmogelijke opgave: het immense pand van de Rotterdamse Graansilo ombouwen tot een evenementenlocatie. Maar durf en creativiteit zorgden ervoor dat de Maassilo, zoals het complex tegenwoordig heet, een geslaagd voorbeeld werd van herontwikkeling van vastgoed. De Stichting VastgoedManager-Experts (VGME) hield er op 19 mei een sociëteit, op uitnodiging van het ingenieursburo IOB.
Van buiten oogt het als een enorm afgedankt bedrijfspand dat niet meer in gebruik is: een leegstaande betonkolos. Het is zelfs even zoeken naar de juiste ingang. Maar binnen bruist het van de activiteiten. De Graansilo, aan de Maashaven Zuidzijde in Rotterdam, is in een paar jaar tijd omgebouwd tot het multifunctioneel complex Maassilo met een capaciteit tot maximaal zesduizend personen. Alle denkbare voorzieningen zijn voorhanden.
De begane grond is verdeeld in grote en kleinere zalen, waar massale dans- en muziekfeesten, en andere bijeenkomsten kunnen plaatsvinden. Tot twee jaar geleden had onder meer de befaamde discotheek Now & Wow er onderdak. De bovenste (tiende) etage is eveneens in gebruik voor (bedrijfs)feesten en presentaties, waarbij vooral de lichtsystemen voor een bijzondere sfeer zorgen. Elders in het complex huist sinds vorig jaar de Creative Factory, die nu aan ongeveer 65 creatieve ondernemers kantoorunits ter beschikking stelt, dankzij gemeentelijke subsidies en diverse sponsoren tegen een relatief lage huurprijs. Enkele ruimtes wachten nog op renovatie, terwijl in het hart van het gebouw nog steeds drie grote silo’s staan.
De Graansilo is niet het minste gebouw van Rotterdam. Het werd al in 1906 gebouwd naar een ontwerp van Architect J.P. Stok. De twintig meter hoge onderkelderde silo had in de beginjaren een capaciteit van twintigduizend ton en groeide uit tot de grootste graansilo van Europa. Midden jaren negentig bedroeg de capaciteit negentigduizend ton graan.
In 2003 werd het gebouw door het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam aangekocht, waarna het ingenieursburo IOB werd ingeschakeld voor herontwikkeling. Doel: een evenementenlocatie creëren, als een soort tegenhanger van de gebiedsontwikkeling op de Kop van Zuid. Geen eenvoudige zaak, bleek uit de uitleg tijdens de recente VGME-sociëteit. Schoonmaak was de eerste zware opgave. Zo’n honderdduizend ratten waarden rond in het gebouw, en bovendien moesten vele tonnen graan uit de silo’s worden verwijderd. Een volgende klus was het met dynamiet vernietigen van 35 betonnen kolommen op de begane grond. Wel kon bij de herinrichting op een slimme manier gebruik worden gemaakt van bestaande elementen. Zo konden vroegere aan- en afvoerbuizen worden ingezet voor de luchtcirculatie. (Voor meer informatie: www.maassilo.com.)
Deze tweede sociëteit van de VGME in 2009 was gewijd aan herontwikkeling van bestaand vastgoed, beheer en onderhoud en bouwvergunningen. De beide IOB-sprekers, Rob Kokshoorn en Jaap Moree, gingen, met de Maassilo als voorbeeld, kort in op de afwegingen die bij herontwikkeling van disfunctioneel vastgoed spelen. Welke mogelijkheden ontstaan er vanuit een alternatief gezichtspunt? Welke afwegingen zijn interessant? Wat is het effect van nieuwe ontwikkelingen in de bouwregelgeving? In de huidige vastgoedmarkt is vooral behoefte aan frisse ideeën, durf en creativiteit, aldus de conclusie van hun betoog.
De IOB-groep, met vestigingen in Hellevoetsluis, Dordrecht en Rotterdam, is een sterk groeiend ingenieursburo voor bouwkunde, constructie, beheer en onderhoud en civiele techniek (www.iob.nl).
De Stichting VastgoedManager-Experts is een platform voor professionals die werkzaam zijn in het ontwikkelen, beheren en managen van vastgoed. Regelmatig worden er sociëteiten gehouden voor leden en introducés. Ideeën voor presentaties zijn welkom, via: info@vgme.nl.
De Stichting VGME staat open voor nieuwe leden. Aanmelden kan via www.vgme.nl.


=================== einde persbericht =================
Eerste vastgoedsociëteit VGME in 2009:
Crisis kan aanjager zijn voor vernieuwing
Sombere berichten over de crisis alom. Maar af en toe zijn er positieve geluiden. Zoals de vaststelling dat de huidige recessie vooral ook kansen biedt, kansen voor vernieuwing. Dat betoogden twee sprekers tijdens de sociëteit van de Stichting VastgoedManager-Experts (VGME) op 10 februari jongstleden in het Brabantse Haaren.
Het centrale thema van deze eerste VGME-sociëteit van 2009 was Horecavastgoed. In een verfrissende presentatie liet Alexander Breedijk zien welke problemen zich op dit gebied voordoen. Horecavastgoed is in de vastgoedwereld vrij onbekend. “En onbekend maakt onbemind”, aldus Breedijk, die zich, als directeur van Bibitor, intensief met deze bedrijfstak bezighoudt. “De onbekendheid is verklaarbaar: enkele jaren geleden waren er nauwelijks of geen systematische data beschikbaar. De horeca geldt vooral als een terrein met een hoog risico, gelet op de overheidseisen en de professionaliteit van ondernemers. Bovendien heeft het gebied een negatieve reputatie door overlast en criminaliteit.” Breedijk trok een vergelijking met Engeland waar werken in de horeca veel meer aanzien heeft. “In Nederland gaat iemand in de horeca werken als hij op andere terreinen mislukt is. Althans dat is de beeldvorming.”
Toch begint de professionalisering langzaam op gang te komen en Bibitor probeert daaraan een flinke bijdrage te leveren. “Wij proberen horecavastgoed bekend en bemind te maken door professionalisering, door dataverzameling, onderzoek en scholing en via publicaties.”
Om het horecavastgoed in kaart te brengen ontwikkelde Alexander Breedijk een toetsing- en taxatiemodel. Via logische analyses en praktijkmetingen is hij erin geslaagd de gemiddelde huurprijs per locatiekwalificatie te berekenen: de huurprijs per vierkante meter afgezet tegen de mate van waardering van een locatie. “Zo hebben we nu een bruikbaar model om de huurwaarde van een horecalocatie te bepalen. We zijn daarmee niet meer afhankelijk van de individuele taxatie van makelaars.”
In veel gemeenten blijven nu nog kansen liggen als het om horeca gaat, meent Alexander Breedijk. Maar ondernemers zullen onvermijdelijk moeten inspelen op trends in de behoeften van de consument. De recessie maakt die noodzaak alleen maar groter. “Door de sanering die op gang komt zullen we gedwongen worden om anders te denken en anders te gaan werken. De crisis is de aanjager van vernieuwing en misschien wel de redding van onze toekomst. Iedereen die stil zit en geen actie neemt, zal straks achter lopen.”
Ondernemers kunnen volgens hem maar beter gaan luisteren naar wat de klant wil. Die wordt immers steeds kritischer ten opzichte van matige kwaliteit. “Daarom moet de eenvormigheid die veel uitgaansgebieden kenmerkt, met allemaal dezelfde doelgroep, allemaal dezelfde muziek, allemaal hetzelfde happy hour, worden doorbroken.”
Ondernemers kunnen het als een uitdaging zien de horeca van morgen te creëren en daarmee nu al beginnen. “Creëer die warme tweede huiskamer en denk na over welke rol je wil spelen en welke middelen je daar voor nodig hebt. Wat wil je publiek? Hoe streel je het imago van je publiek? Hoe speel je in op de vluchtigheid van vandaag?”
Volgens Alexander Breedijk staan we nog maar aan het begin van professionalisering. En dat terwijl de horeca een echte bedrijfstak is die serieus genomen moet worden. “Horeca is voor echte ondernemers en niet als laatste arbeidskans als de rest niet gelukt is.”
Ook VGME-voorzitter Cees van Beukering haakte aan bij de actualiteit van de recessie en de kansen die deze biedt, toegespitst op de bouwsector in het algemeen. Wat kunnen we doen? De regering kan stimulerende economische maatregelen nemen, met name in de publieke sector: investeren in infrastructuur (wegen, bruggen), in scholenbouw, gezondheidszorg, etc.. Maar bedrijven die hiervan willen profiteren, moeten er wel van uitgaan dat zij felle concurrentie zullen ondervinden. Innovatie gaat daarom een doorslaggevende rol spelen. Precies die eigenschap is de ‘homo faber’, de makende mens, wel toevertrouwd, aldus Van Beukering. “De mens is een waarden nastrevende mens en weet deze waarden steeds meer en beter te realiseren. In het meer en beter zit de aanwijzing dat de mens altijd bezig zal blijven nieuwe dingen voort te brengen, dus ook voortdurend op zoek zal blijven naar nieuwe bouwvormen.”
Concrete innovaties zijn volgens hem al waarneembaar in het duurzame bouwen, dankzij vier stimulerende factoren: oplopende kosten van energie en water, productiviteitsverbetering, minder ziekteverzuim en de invoering van het ‘groen’ certificaat. Gebouwen volgen een tendens van energieverbruiker naar energieproducent. Kwaliteit en duurzaamheid worden hoe dan ook steeds belangrijker, concludeerde Van Beukering.
De Stichting VastgoedManager-Experts is een platform voor professionals die werkzaam zijn in het ontwikkelen, beheren en managen van vastgoed. Regelmatig worden er sociëteiten gehouden voor leden en introducés. Gastorganisator was dit keer Kadans Vastgoed, in samenwerking met zorginstelling Cello, op de locatie Haarendael te Haaren.
De VGME staat open voor nieuwe leden. Aanmelden kan via www.vgme.nl.

========= einde persbericht =============

